foto: Leo van Gelderen

’Droevig, ik? Nee hoor’

Elke ochtend om zeven uur strek ik de benen voor een uur wandelen samen met mijn wandelmaat. We wonen dicht bij elkaar en hebben het geluk dat ons woongebied tot een van de rustige wijken van Kampala behoort.

Elke ochtend om zeven uur strek ik de benen voor een uur wandelen samen met mijn wandelmaat. We wonen dicht bij elkaar en hebben het geluk dat ons woongebied tot een van de rustige wijken van Kampala behoort. Zeker als je bedenkt dat in deze miljoenenstad het straatbeeld wordt bepaald door een niet aflatende stroom auto’s en boda’s die samen zorgen voor een meestal prettig aandoende chaos. Boda’s zijn lichte motoren die niet alleen dienstdoen als goedkope taxi voor bewoners die om wat voor reden onderweg zijn. Daarnaast vervoeren ze zo’n beetje alles wat van A naar B moet, waarbij je soms je ogen niet gelooft. Van hoog opgetaste houthandels tot kratten vol kippen. Niks is te gek. En hoe deze gasten vervolgens in een fiks tempo tussen alle verkeer door laveren, blijft verbazen.

Maar, ik had het over wandelen. Op onze vaste route ontmoeten we bijna elke dag Marc. Een jonge Oegandees die op zijn vaste stekkie, een grote steen langs de kant van de weg,  bezems maakt van afgewaaide palmboombladeren. Om die vervolgens te  verkopen. De fabricage gaat met handen en voeten en er komt geen mes of snoeischaar aan te pas. Als we iets eerder aan de wandel zijn, komen we Marc tegemoet, verscholen onder een enorme bundel palmbladeren die hij onderweg verzamelt.

Een paar weken geleden bleef zijn plekje opvallend leeg. Ik begon dat vertrouwde beeld van Marc, druk in de weer met zijn bezemproductie te missen. Ook al  omdat we altijd even een praatje met hem maken.  Nu was daar alleen die lege steen.

Maar de afgelopen week was hij er weer. Na een vriendelijke boks vroeg ik hem waar hij was geweest. Marc was terug naar zijn dorp, naar zijn familie. Nee, geen vakantie. Zijn tante was overleden en hij wilde bij de begrafenis zijn. Ik condoleerde hem met het droeve nieuws waarop Marc breed glimlachend naar boven wijzend zei: ’Droevig, ik ? Nee hoor. Daarboven is ze heel erg gelukkig. Dat weet ik zeker.’