KAMPALA – De Bonifatius basisschool in Spanbroek, een dorpje in West-Friesland. De middelbare school ’Het Werenfridus’ in Hoorn. Voor Jantien Zuurbier (1973) zijn het vertrouwde namen uit haar jeugd. Ontspannen achter een drankje op een terras in Kampala, de hoofdstad van Oeganda zegt ze: ,,Gewoon omdat ik daar goede herinneringen aan heb’’. Jantien groeide op in West-Friesland, maar woont en werkt inmiddels alweer bijna twintig jaar in Oeganda. En dan met name in Kampala, de stad waar ze zich kind aan huis voelt.
,,Ik heb een hele leuke jeugd gehad in Spanbroek. Al hadden we het thuis niet breed. Mijn vader was hovenier en als kind ging ik graag met hem mee. Al heel vroeg kende ik veel planten en bloemen waarvan ik dan ook de Latijnse namen uit mijn hoofd leerde. Daar werd mijn interesse in de landbouw gewekt. Dus koos ik voor de Tropische Landbouwschool, ja zo heette die opleiding toen, in Deventer. Daar ontmoette ik ook mijn medestudent en latere man Menno. Voor onze bachelor moesten we stagelopen”, vertelt ze, terwijl er een warme bries over het terras glijdt. ,,Dat werd eerst Denemarken en daarna zes maanden Sumatra”
Namibië
Nadat ze in 1997 afstudeerde, was Jantien er klaar voor om ’ergens’ in de wereld aan de slag te gaan. ,,Dat laatste duurde een jaar voordat ze echt vertrok. Om toch rond te komen, zat ze op de klantenservice bij een bedrijf. ,,Op een dag belde Menno met de mededeling dat we naar Namibië konden.” Lachend: ,,Het enige dat ik in eerste instantie van het land wist, was dat er olifanten en leeuwen waren. We kwamen in het noorden van het land terecht waar we ons bezig hebben gehouden met de bestrijding van insecten in de groententeelt. Na twee jaar moesten we door de interne spanningen uitwijken naar Windhoek, de hoofdstad waar we een half jaar hebben gewerkt, voordat we weer terug konden.”
Na Namibië werkt ze in Nederland enige tijd voor de Landbouwuniversiteit Wageningen totdat Menno een baan krijgt aangeboden in Maleisië. Samen met haar inmiddels geboren zoon Lukas vertrekt het gezin Oostwaarts, waar in 2006 haar tweede zoon Tijmen zich aandient. Vanuit daar volgen er uitstapjes naar Vietnam, Sri Lanka en Australië. Om in februari 2007 aan te komen in Kampala.
Ontwerpen
,,Ik voelde me hier heel snel thuis en besloot voor mezelf te beginnen. Ik was al lang geïnteresseerd in het ontwerpen via de computer. Dus na een cursus webdesign ben ik als designer begonnen. Zo ben ik in contact gekomen met de kunstenaarsgemeenschap in Kampala waar ik Daudi Karungi ontmoette. Een inspirerende ondernemer/kunstenaar. Hij heeft hier onder andere de Afri Art Gallery opgericht. Een plek die jonge Afrikaanse kunstenaars ondersteunt. Ook kreeg ik via hem mijn eerste opdracht. Mijn werk werd gezien door andere kunstenaars en de opdrachten begonnen binnen te komen.”
De ondernemingszin werd extra aangewakkerd nadat ze een artikel onder ogen kreeg over flexwerken. ,,Dat idee kenden we hier niet en ik zag mogelijkheden. Daudi wist een pandje en daar hebben we voor creatieve ondernemers plekken gecreëerd. Zo rol je van het een in het ander.”
Afslag
De afslag richting kunst die Jantien neemt, blijft niet zonder gevolgen voor haar relatie en ze besluiten te scheiden. ,,We waren beiden zo druk bezig. Bovendien had Menno niets met kunst. We zijn in die jaren uit elkaar gegroeid. Maar het gaat goed. Inmiddels is onze oudste bijna afgestudeerd in Wageningen en woont de jongste nog hier bij mij. Hij is bezig zijn middelbare school af te ronden.”
Alle privé-perikelen hinderen haar niet om actief te blijven en samen met geestverwanten groot te blijven dromen. ,,We hebben onder andere de Kampala Art Biennale georganiseerd. Dat de kunst hier leeft, wordt extra onderstreept door de twee kunstacademies die we inmiddels in de stad hebben.” Ze voegt daar meteen aan toe: ,,Wat niet betekent dat het, net als overal elders, makkelijk is om van je kunst te leven. Veel studenten die zijn afgestudeerd, vind je dan ook terug bij reclamebureaus of kranten.”
De laatste jaren is Jantien als Management Assistant verbonden aan de Nederlandse Ambassade in Kampala. : ,,Net als leven van de kunst moeizaam blijft, is het hebben van een bedrijfje in die sector ook niet makkelijk. Dus toen ik deze kans kreeg, aanvankelijk voor zes maanden, heb ik die gepakt. Inmiddels zijn we alweer enkele jaren verder en het werk bevalt me prima. Ook mag ik me in mijn vrije tijd met de kunst blijven bezighouden. Dat is wel belangrijk. Ik voel die binding als een soort levensader.”
Open en vriendelijk
Over Oeganda zegt ze: ,,De mensen zijn open en vriendelijk. Je maakt heel makkelijk contact en het klimaat zorgt voor de rest. Het zijn de kleine verschillen die opvallen. Als ik bijvoorbeeld mijn moeder bezoek en ik vanuit Schiphol de trein naar Hoorn neem waar ze woont zet ik mijn koffer tegen de stoel in het gangpad. Meteen komt er commentaar. Vaak niet op de aardigste manier. Hier halen ze de schouders op en stapelen er desnoods nog drie koffers bovenop.”
Dit artikel verscheen eerder in het Dagblad voor West-Friesland.
